De uniformen van het personeel van de marine-stoomvaartdienst

Vóór 1844 was voor het personeel van de stoomvaartdienst geen uniform voorgeschreven en we kunnen wel aannemen dat dit personeel toen, alhoewel zij als militairen werden beschouwd, in een of ander soort burgerkleding rondliepen. Op 22 Juni 1831 had de commandant van de Curaçao, Le Jeune, reeds een voorstel ingediend om tenues voor de machinisten vast te stellen. In 1839 krijgt Twent op zijn voorstel de opdracht een voor machinisten te bepalen montering uit te werken. Met deze opdracht behoefde hij echter geen haast te maken. In het reglement van 1844 werden de uniformen voor de machinisten en vuurstokers ingesteld en vastgelegd. Hierbij werd, zij het in een iets andere vorm, het nu nog bestaande distinctief ingevoerd. Het distinc­tief, bestaande uit een pijl met een vlammende toorts gekruist, werd vermoe­delijk overgenomen van de Amsterdamse brandweer.x) De aanpassing van dit distinctief aan de stoomvaartdienst geschiedde door het te plaatsen op een lis in de vorm van een zee. De machinist 3de klasse kreeg dit distinctief op de kraag van zijn jas; de toorts en pijl waren van gouddraad, de lis van zilverdraad. Als hij tot machinist 2de klasse werd bevorderd kreeg hij er een pijl bij, welke evenwijdig aan de eerste liep. Werd hij in het vaste korps opgenomen dan kreeg hij een gouden geborduurde kabel langs de rand van de kraag.

Bij machinisten 1ste klasse werd het distinctief, dat zij als 2de klasse alleen op de kraag droegen, ook op de mouwopslagen geplaatst. De machi­nisten 1ste klasse van het vaste korps hadden dan de gouden geborduurde kabel ook op de omslagen van de mouwen.

De machinist-leerlingen droegen een „baaitje”; voor die der 2de klasse was het distinctief als voor de machinist 3de klasse maar dan van gele zijde op een lis van witte zijde; werd de leerling 2de klasse bevorderd tot 1ste klasse dan kreeg hij er een pijl, evenwijdig aan de eerste, bij.

*) Dit is niet zo vreemd als het op het eerste gezicht lijkt. Het begrip „vuur” speelde bij de eerste machines een belangrijke rol. Men sprak van vuurmachines; verschillende van de eerste stoomschepen, zowel bij de Engelsen als bij ons, werden daarom naar vulkanen genoemd

Artikel 30 van het 1ste reglement geeft de samenstelling van de tenues aan. „De uniform voor de Machinisten der drie klassen, wanneer dezelve in tenue zijn, zal bestaan in:

  • een blaauw of wit vest;
  • een blaauwe of witte pantalon over de laarzen;
  • een ronde hoed met gouden lis en oranje kokarde.

De uniform der Machinist-Leerlingen, wanneer zij in tenue zijn, zal be­staan in:

  • een blaauw montering baaitje met stoomwerktuigknoopen;
  • een blaauwe of witte pantalon;
  • een dito vest en een ronde hoed met lis en kokarde als de Machinisten.

In de gewone dienst zal door de Machinisten en Machinist-Leerlingen een blaauwe lakensche pet gedragen worden, naar het model bij de Marine in gebruik, doch zonder uitmonstering dan een langwerpig rond geelen plaatje van voren, waarop een pijl met eenen vlammende toorts gekruist en om den rand het woord stoomvaartdienst zal gegraveerd zijn.”

De stoomwerktuigknopen, klaar anker met kroon door pijl en toorts ge­kruist, zijn tot 1948 in gebruik gebleven. Het opschrift van het plaatje op de pet werd later gewijzigd in Rijks-Stoomvaartdienst.

Merkwaardig is nog een ander voorschrift betreffende de kleding, dat in het reglement van 1844 voorkomt.

„Verstrekking gratis aan Machinisten en stokers. Aan vuurstokers en machinist-leerlingen, die behulpzaam zijn bij de werkzaamheden aan de machines, en schepelingen beneden de graad van sergeant, die aan boord behulpzaam zijn in het verwerken van steenkolen, wordt jaarlijks gratis verstrekt: voor het zomersaisoen: een linnen boezeroen en een everdoekse broek; voor het wintersaisoen: een rood baaien hemd en een lakensche broek, daarenboven per hoofd 1 Ned. ons witte zeep ’s weeks.

Deze kleedingstukken kunnen echter naar mate van het klimaat worden ver­vangen door anderen, mits het bedrag van het opgenoemde niet wordt over­schreden.”

In een beschikking van de minister van 14 October 1844 wordt de be­schrijving van de uniform verduidelijkt en worden de „distinctieve teekenen” in beeld gebracht.

In deze beschikking blijkt het tweeslachtige van de uniformen en dus ook van de positie; het fatsoen der jassen zou in ’t algemeen zijn als voor de officieren; vest, broek, monteringbaaitje en ronde hoed zouden in ’t algemeen zijn als die der onderofficieren.

     

  

Bij beschikking van 29 Maart 1845 No. 120 wordt bekend gemaakt dat „in het magazijn van kleeding voor de marine te Rotterdam zal worden aan­gehouden een genoegzame voorraad van uniformknoopen en koperen plaatjes volgens de modellen gearresteerd bij res. van 14 October 1844 No. 87.”
Bij Kon. Besluit van 31 December 1867 No. 64 worden de uniformen en onderscheidingstekenen voor de zeemacht opnieuw vastgesteld.
Hierbij werd een groot tenue en een klein tenue ingevoerd. De oude dis­tinctieven bleven op het groot tenue gehandhaafd. De distinctieven op de omslagen der mouwen kwamen te vervallen en werden vervangen door een gallon voor de officieren en een koord voor de machinisten 1ste klasse.

De officieren droegen bij groot tenue een steek; de machinisten „een hoed van zwart verlakt vilt voorzien! van een zwart zijden lint, boven de rand ge­strikt. Boven de rand een garnituur van geel koper, bestaande uit twee gekruist liggende ankers, vastgehouden door de koninklijke kroon en deze gehecht op een kokarde van oranje zijde”.
Bij het klein tenue werd door de machinisten een jas met liggende kraag gedragen. Op de uiteinden van de kraag werden de distinctieven aangebracht. Voor machinisten 3de klasse: een pijl met toorts gekruist; voor machinisten 2de en 1ste klasse: twee gekruiste pijlen met toorts; voor machinisten 1ste klasse van het vaste korps en voor de officieren­machinist: twee gekruiste pijlen met toorts gedekt door een kroon.
De machinisten 1ste klasse hadden op de opslagen der mouwen een koord van gele zijde; de officieren-machinist een effen gouden gallon.

Het koperen plaatje op de pet werd vervangen door een distinctief bestaan­de uit de twee gekruiste pijlen met toorts gedekt door een kroon; voor de officieren-machinist werd dit door eikentakken omgeven.
De uniformen van de machinist-leerlingen werden niet gewijzigd uitgezon­derd het plaatje op de pet, dat door het petdistinctief van de machinisten werd vervangen.
Bij Kon. Besluit van 6 April 1877 No. 14 kwam de hoed van het groot tenue te vervallen en werd vervangen door de pet van het klein tenue.
Bij min. resolutie van 7 Juli 1903 werd de krul aan de bovenste gallon van de officieren-machinist en aan het koord van de machinisten toegevoegd.
Het Kon. Besluit van 27 Februari 1904 No. 74, dat de samenstelling van het korps machinisten belangrijk wijzigde, behelsde ook de hiervoor nodige uniformwijzigingen.

Op de kraag kregen nu alle machinisten de twee gekruiste pijlen met de toorts gedekt door een kroon.

De gallons werden in navolging van de Britse marine op fluweel aangebracht dat echter bij ons donkerblauw van kleur werd. De officieren-machinist kregen het aantal gallons dat overeen kwam met hun rang. De adjunct- machinisten kregen een gouden koord met krul om de mouw; de machinisten kregen onder dit koord, op het fluweel, twee massieve platte knopen; de hoofdmachinisten kregen drie knopen.

Na 1917 worden de uniformen van de officieren-machinist nog enigszins gewijzigd. Zo werd in 1920 de fluwelen band afgeschaft. In 1948 werd het petdistinctief, evenals voor de andere officierskorpsen, gelijk gemaakt aan dat der zeeofficieren, dus onklaar anker gedekt door kroon en omgeven door eikentakken. Verder onderging het uniform die wijzigingen, die ook op de uniformen der overige officierskorpsen werden toegepast. In 1924 werd de rechte pet vervangen door de platte. In de loop der jaren werden het aan­tal gallons en de breedte hiervan enkele malen gewijzigd, waardoor deze meer in overeenstemming met de buitenlandse marines werden gebracht.